De Volkskrant VAN ZATERDAG 20 JANUARI 1990

In navolging van zijn voorganger Ginjaar-Maas maakte J. Wallage, staatssecretaris van Onderwijs, onlangs bekend het onderwijs aan buitenlandse kinderen in de eigen taal te willen stimuleren. Volgens D. Pinto, directeur van het Inter Cultureel Instituut in Groningen, is dat een heilloos en paternalistisch plan.

Met veel aplomb werd het beleidsvoornemen van staatssecretaris Wallage om het Onderwijs in Eigen Taal (OET) voor migrantenkinderen uit te breiden gelanceerd, als ware het een noviteit. In feite draait Wallage de klok echter gewoon terug. Tot tien jaar geleden werd er vijf uur per week lesgegeven in Eigen Taal en Cultuur (OETC) binnen schooltijd. Het was minister Pais van Onderwijs die dit aantal terugbracht tot 2,5 uur per week binnen schooltijd.

Wallages beleid is niet alleen geen nieuwe zaak, het is bovendien een kwalijke zaak.

  1.  Vele onderzoekers, waaronder dr A.S. Bülbül, drs S. Simsek, Prof. L. van
    der Berg, Prof. H. Entzinger en drs M.J. de Jong hebben zich uitgesproken over de schadelijke gevolgen voor buitenlandse kinderen van dit onderwijs binnen schooltijd.
  2. Een van de voornaamste oorzaken dat deze migrantenkinderen niet met succes naar het Algemeen Voortgezet Onderwijs (AVO) doorstromen, is hun gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal. Uitbreiding van het Onderwijs in Eigen Taal en Cultuur onder schooltijd zal deze situatie nog verergeren.
  3. Het bedoelde beleidsvoornemen van Wallage druist op dit punt in tegen de aanbeveling in het onlangs verschenen WRR-advies “Allochtonenbeleid”, waarover ondertussen nog altijd geen officieel regeringsstandpunt is ingenomen.
  4. Hoe serieus neemt Wallage de buitenlandse jongeren zelf, die nadat ze dit onderwijs in eigen taal inderdaad een aantal jaren gevolgd hebben, nu klagen over hun benarde situatie en pleiten voor “extra Nederlandse taalbegeleiding” in plaats van onderwijs in Eigen Taal en Cultuur?

Ik ben werkelijk zeer benieuwd welke deskundigen Wallage geraadpleegd heeft bij de ontwikkeling van deze plannen. Ik vermoed dat hij dezelfde fout heeft gemaakt als vele andere Nederlanders doen, wanneer zij zich met de beste bedoelingen in willen zetten voor migranten: zij zullen wel beslissen wat goed is voor buitenlanders.

Ook de voorgangster van Wallage, mevrouw Ginjaar-Maas, heeft zonder twijfel met de beste bedoelingen prachtige plannen gemaakt voor het onderwijs aan buitenlandse kinderen. En welke deskundigen werden door haar geraadpleegd? In de concept-beleidsnotitie “Onderwijs in Eigen Taal”, die zij begin oktober
1989 naar de Tweede Kamer zond, staat eindelijk eens expliciet wie nu de deskundigen zijn: alle geraadpleegde deskundigen zijn Nederlanders! Wat is dat
voor een onbeschaamd paternalisme?
Nog steeds worden allochtonen dus beschouwd als zielige, onvolwassen mensen die niet weten wat goed voor ze is.

OET is goed de identiteit van het kind, beweren de voorstanders van dit onderwijs. Ik vind  dat een gelegenheidsargument. Immers, welke identiteit ontwikkelt een Berber-kind in Nederland met 2112 uur per week klassiek Arabisch, dat niet zijn moedertaal is?

Tweetaligheid is nooit weg, beweren andere voorstanders van het OETC.
Geldt dit dan niet voor Nederlandse kinderen? En is bijvoorbeeld Engels geen
goede tweede taal?

Mijn standpunt is dat onderwijs in eigen taal buiten schooltijd gegeven dient te worden aan die kinderen van wie de ouders dat wensen. Opgemerkt moet worden dat lang niet alle allochtone ouders dit onderwijs wenselijk achten. Als het door gebrek aan politieke moed en inzicht vooralsnog niet anders kan, dan moet dit onderwijs in eigen taal maar zodanig worden ingericht dat het een “stofvoorbereidende” functie heeft.

Stofvoorbereiding houdt in dat aan de kinderen bijvoorbeeld op woensdagmiddag in het Turks of Marokkaans wordt uitgelegd waar de aardrijkskundeles in het Nederlands van de volgende dag over zal gaan.
Het huidige OETC betekent evenwel dat de kinderen 21/2 uur Nederlandstalig
onderwijs per week missen, doordat zij voor het volgen van dit OETC uit de klas
worden gehaald. De onderwijsresultaten van deze jongeren zijn nu al bedroevend. Vijfentachtig procent van de buitenlandse jongeren behaalt geen enkel
schooldiploma. Van de Turkse en Marokkaanse leerlingen stroomt 12 procent door naar de MAVO of HAVO, tegen 70 procent van de Nederlandse kinderen. Door de plannen van Wallage raken de migranten nog verder van huis. Wallage’s plannen betekenen namelijk dat de kinderen van migranten nog vaker de Nederlandstalige lessen zullen missen en dat de kansen van deze kinderen in het Nederlandse onderwijs nog verder zullen afnemen.
In de woorden van de zoëven genoemde Turkse onderzoeker dr A.S. Bülbül, deskundige op het gebied van migrantenkinderen: “Schrap het onderwijs in eigen taal en cultuur. Onderwijs de kinderen in de Nederlandse taal en cultuur. Als Nederland hen dat onthoudt, blijven ze achter lopen.”

D. PINTO
Directeur van het Inter Cultureel Instituut(ICI) te Groningen